Zeeburg Nieuws

Sail 2000
Vierhonderd jaar VOC

Het OHG en haar scheepvaartverleden

Unieke VOC-goudstaaf te zien in Leids museum
LEIDEN/Zeeburg 28 maart 2000 - Het Koninklijk Penningkabinet in Leiden is een bijzonder voorwerp rijker: een goudstaaf die in 1770 met het VOC-schip Leimuiden tenonder ging bij de Kaapverdische eilanden.
Zeven jaar geleden vond een speciaal duikteam de baar terug als enige restant van de goudvoorraden aan boord. Vanaf dinsdag is de staaf voor het publiek te zien. Volgens het Penningkabinet is het zelfs de enige baar die van het goud van de hele Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) is overgebleven. De vijf kilo wegende staaf zou, in de normale goudwaarde van nu, zo'n 75.000 gulden moeten kosten, maar de historische waarde wordt van veel groter belang geacht.

De Leimuiden, met 37 baren goud aan boord op weg naar Ceylon, liep op 25 januari 1770 vast op de rotsen van het Kaapverdische eiland Boa Vista. Het schip bleef redelijk intact, maar kon geen kant meer op. Kapitein Jan van Kinsbergen bleek geen sieraad voor de legendarische scheepvaart van ons land: hij liet een sloep zakken en bracht zichzelf met een klein aantal uitverkorenen in veiligheid. De overige 347 mensen liet hij aan boord. Hij zou daarom voor het leven uit de VOC worden gestoten.
Nadat ze van de verbijstering over het gedrag van hun kapitein waren bekomen, braken de overgebleven mannen in in Van Kinbergens kajuit, waar ze zich de goudstaven eigen maakten. In groepjes voeren ze, met goud op hun lichaam gebonden, met vlotten naar de kust. Niet iedereen overleefde dat: Abraham Kats had zich negen staven van samen 45 kilo toegeëigend. Hij sprong van het schip naast het vlot en zonk als een banksteen. Mogelijk is de in 1993 opgedoken baar van Kats geweest. In totaal lieten vijftien opvarenden het leven, maar niet duidelijk is of ze allemaal bij Boa Vista omkwamen.

De Leimuiden zelf werd op 4 februari door de golven uit elkaar geslagen. De opvarenden werd na een korte tijd op het Kaapverdische eiland gered door het Nederlandse schip Renswoude, die eveneens met goud op pad was. Het meenemen van goudstaven was in die tijd goed gebruik: het edelmetaal werd op de plaats van bestemming tot munten gemaakt waarmee bij voorbeeld specerijen konden worden betaald. De Renswoude zette de geredden af op Kaap de Goede Hoop, het zuidelijkste puntje van Afrika. Van daaruit kozen ze allemaal hun eigen weg. De Renswoude nam zestien bij de opvarenden van de Leimuiden gevonden baren alsnog mee naar de uiteindelijke bestemming Ceylon. Waar de overige goudstaven zijn gebleven is, behalve in het geval van het pronkstuk van het Penningkabinet, tot op heden onbekend. (bron: Planet Internet/ANP)


© 2000 Sail 2000 Redactie