Zeeburg Nieuws

INDIAAN-DE-DAG

door Rob Duyker

Het jaar 2000 heeft voor Brazilië een speciale betekenis. Op 21 april is de herdenking dat het land 500 jaar geleden ontdekt werd onder leiding van kapitein Cabral.
Het meest opvallende is de afwezigheid van de geschiedschrijving van de Indianen. De relaties met de Braziliaanse Indianen zijn een vergeten gedeelte van de Nederlandse geschiedenis.
Er is wat dat betreft een schat aan historisch materiaal te ontginnen dat vooral tijdens de periode van "Nieuw Holland" verzameld is. Reden om dit jaar regelmatig aandacht te besteden aan de relatie van Amsterdam met Brazilie.

Voor de Indianen is de viering van 19 april, de dag van de Indiaan belangrijk, vanwege het historisch kader van 500 jaar contact met Europeanen. In Nederland komen de eerste Braziliaanse Indianen, waaronder Pedro Poti en Gaspar Paraupaba, met de vloot van Admiraal Boudewijn Hendrixsz in 1626 naar de Nederlanden.
Zij worden hier op kosten van de West Indische Compagnie ( W.I.C.) gehuisvest en opgeleid. Hun begeleiding is in handen van Gereformeerde predikanten . Zij dienen als informatiebron en legitimatie voor de verovering van Brazilië.

Sinds de uitgave van beschrijvingen van Brazilië en de daar woonachtige Indianen in 1509 door Amerigo Vespucci, die zijn naam voor altijd met het nieuwe continent verbond, was er een levendige interesse in Europa voor Amerika. Frankrijk en Engeland betwistten het eigendomsrecht van Spanje en Portugal, die het nieuwe Amerika in een pauselijk verdrag (Tordesilklas, 1494) onderling verdeeld hadden.
Alhoewel de Paus in 1532 de Braziliaanse Indianen als mensen erkende, werden zij vooral beschouwd als potentieel van slaven. Het zijn vooral de Fransen die de Braziliaanse Indianen en hun cultuur beschrijven, die via de filosoof Montaigne terecht komen in het Romantisme van Rousseau. De Indianen worden enerzijds geromantiseerd als "edele wilden", anderzijds afgeschilderd als gevaarlijke kannibalen.


Hollanders en Brazilianen bij Fort Ceulen (gravure Frans Post 1647)

In de Nederlanden was de Indiaan daarbij ook nog medeslachtoffer van de Spaanse koning. De Vlaamse balling Usselinx, een van de initiatiefnemers van de West Indische Compagnie (WIC), beschrijft in een pamflet in 1608 hoe Indianen dom gehouden worden en schetst een beeld van hen als een potentiele nieuwe markt voor de moderne koloniale economie. Wanneer in 1630 een sterke WIC strijdmacht Pernambuco aanvalt, zijn Pedro Poti en Antonio Paraupaba, de zoon van Gaspar, behulpzaam als tolken en adviseurs. Zij krijgen een plaats in de bestuursstructuur als dorpshoofd en Kapitein.
Niet alle Potiguaren steunen de Nederlanders. Een belangrijke groep schaart zich achter Felipe Camarão, een neef van Pedro Poti, die als enige Indiaanse held in de Braziliaanse geschiedenis figureert.
Van de briefwisseling tussen deze twee in het Tupi waarin Camarão tijdens de opstand Poti oproept de Nederlandse Calvinisten af te vallen, zijn afschriften in de Leidse Universiteits Bibliotheek en het Algemeen Rijksarchief bewaard.


Pedro Poti schrijft dat de Portugezen nooit anders gedaan hebben dan de Indianen tot slaaf te maken en dat de Nederlanders dat juist niet doen , hij herinnert aan de massamoorden na het vertrek van Hendrixsz uit de "Bahia Trayson" en de massamoord in Serinhaem die door Antonio Paraupaba in Rio Grande do Norte met de massamoord bij Uruaçu werd gewroken. Hij vergelijkt zijn Christendom met dat van zijn neef en roept hem de Katholieke afgoderij af te zweren. Hij vertelt over zijn verblijf in de Nederlanden en toont een helder inzicht in de Europese politiek wanneer hij zegt dat de Portugese koning João, door Nederlandse wapenen op zijn troon is gehouden. Tenslotte wenst hij Camarão beterschap met zijn krijgsverwonding en roept hem nogmaals, in naam van hun door de Portugezen omgebrachte voorouders, om over te lopen. Hij tekent de brief met Pr. Pottij, den Regidoor en de Commandeur van 't regiment Brasilianen in Paraiba, in mijn Leger, 31 Oktober, 1645.
De twee Remonstranties van Antonio Paraupaba, die sterk door zijn Gereformeerde geloofsovertuiging zijn bepaald, is vooral het tweede geschrift interessant omdat het een overzicht geeft van het bondgenootschap tussen de Potiguaren en de Nederlanders. Paraupaba vertelt hoe de Potiguaren gestraft werden na het vertrek van Hendrixsz en 5 jaar lang tot de komst van Generaal Waerdenburg werden uitgemoord. Ook gaat hij in op de massamoord die door de heiligverklaring van 30 martelaren dit jaar actueel is. Hij beschrijft de massamoord op de Indianen in Serinhaem die nadat ze zich hebben overgegeven met de Nederlandse militairen allemaal aan het zwaard worden geregen.

Het is natuurlijk heel duidelijk dat de voornaamste slachtoffers van het kolonialisme in Brazilië, de Indianen zijn. Zij zagen hun bevolking van 5.000.000 in 1500 slinken tot 325.000 in 2000, waarschijnlijk de grootste etnocide in de laatste 500 jaar.
Ook met Pedro Poti loopt het slecht af, hij wordt in de tweede slag van Guararapes gevangen genomen en gemarteld, hij wil echter zijn Gereformeerd geloof niet afzweren en verdwijnt nadat hij een aantal Nederlandse krijgsgevangen nog kan vertellen dat hij vermoord zal worden.


Bloedbad kerk 1652 (gravure J. Moreau)

Waarschijnlijk is Paraupaba in Den Haag overleden want hij wordt in de publikatie omschreven als : "in syn leven geweest" Regidoor van de Brazilianen in de Capitania van Rio Grande. Het relaas van Antonio Paraupaba illustreert de teloorgang van de Potiguaren die dankzij de loyaliteit van Camarão met enige honderden hun cultuur in stand houden die ooit door honderdduizenden werd gedragen.

(naar een artikel van LA.H.C..Hulsman)


© 2000 Latijns Amerika & de Cariben Integratie Voorpagina Redactie