Zeeburg Nieuws

Voorpagina
Terug

Basisscholen in grote steden blijven niet achter

Uit de Volkskrant van 16 april 1999

Openbare basisscholen in grote steden zijn, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, net zo goed als scholen in de rest van het land. Weliswaar scoren zij bij de Cito-toets gemiddeld vijf punten lager, maar dat wordt volledig verklaard doordat er veel meer kinderen met een achterstand in de grote stad wonen. De zwarte basisscholen in de grote steden presteren gemiddeld precies hetzelfde als zwarte scholen elders.

De scholen in de grote steden zijn niet helemaal vergelijkbaar. Amsterdamse scholen halen gemiddeld iets betere resultaten dan die in Rotterdam en Den Haag. Het is niet bekend wat daarvan de oorzaak is. De Haagse wethouder P. Heijnen zoekt die in het feit dat 'zijn' stad de meeste wijken telt met de grootste achterstand van het land.

In Den Haag staan de meeste zwarte scholen, bovendien is er geen enkele openbare basisschool waarop alleen maar witte kinderen zitten. In Rotterdam zijn ook niet zulke witte elitescholen. Alleen Amsterdam heeft er twee. Wat de steden gemeen hebben, is dat er dertien maal zoveel zwarte scholen staan als in de rest van het land.

Nog niet zo lang geleden waren schoolbesturen vooral geïnteresseerd in de vraag of 'het' Nederlandse onderwijs voldeed. De inspectie onderzocht hoe het stond met 'het taalonderwijs' of 'de gecijferdheid' van alle Nederlandse kinderen. De laatste jaren is, mede onder druk van ouders en de politiek, steeds meer belangstelling gekomen voor de vraag hoe goed afzonderlijke scholen zijn.

Alleen is die vraag niet makkelijk te beantwoorden. Niemand meet de kwaliteit van alle ruim zevenduizend basisscholen. De Onderwijsinspectie bezoekt sinds een jaar basisscholen voor een driedaagse controle, maar ziet niet meer dan achthonderd scholen per jaar en doet er dus tien jaar over voordat ze allemaal bezocht zijn. Een aantal schoolbesturen laat onderzoeksinstituten uitgebreid onderzoek doen, maar ook dat gebeurt op een beperkt aantal instellingen.

Er is maar één instantie die gegevens heeft over een groot deel van de scholen: het Instituut voor Toetsonwikkeling (Cito). Daar wordt al meer dan 30 jaar de kennis getoetst van leerlingen die basisschool verlaten. Dit jaar deed zo'n 78 procent van de scholen mee. Al die cijfers zitten in grote computers. En niemand kan erbij.

Het Cito viel vroeger onder de Wet Openbaarheid Bestuur, maar dat is na een wetswijziging vervallen en nu kan het instituut door niemand worden gedwongen gegevens over resultaten prijs te geven. Het Cito verwijst vragers naar de scholen. De scholen geven opdracht de test af te nemen en de scholen zijn dus eigenaar van de resultaten, is de mening van de toetsenmakers.

Diverse ministers en staatssecretarissen van onderwijs, onder wie de huidige staatsecretaris K. Adelmund, hebben verkondigd hoe belangrijk zij het vinden dat gegevens over resultaten openbaar worden gemaakt, alleen vinden zij de tijd nog niet rijp. Zij willen nog veel meer cijfers verzamelen voordat ouders over hun schouder mogen meekijken. Met een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur kunnen de gemeenten, de besturen van openbare scholen, echter gedwongen worden de gegevens te verstrekken.

De drie grote steden, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hebben dat zonder problemen gedaan. Enkele steden, waaronder Groningen, zullen de Cito- resultaten verstrekken, maar hebben meer tijd nodig om de cijfers te verzamelen. En sommigen, zoals Utrecht, doen niet mee. De Utrechtse wethouder J. van Leijenhorst vindt 'het niet eerlijk dat ik alleen de cijfers van de openbare scholen moet geven'. De gemeente heeft overigens nagelaten een juridisch argument te geven voor een weigering.

De gegevens van de individuele scholen staan op de website van de Volkskrant. Als meer besturen Cito-scores prijsgeven, zal de site uitgebreid worden.

(Uit de Volkskrant van 16 april 1999)


© 1999 Terug Voorpagina Redactie