Zeeburg Nieuws

Voorpagina
Van Lohuizenlaan

1005: Veel kritiek op plannen stadsdeel

0404: Maquette

0404: Informatieavond over multifunctioneel gebouw aan de Van Lohuizenlaan

0404: Nieuwe plannen Van Lohuizenlaan

Panorama Van Lohuizenlaan

Panorama Loswal, Flevo ontspannings- vereniging en Zeeburgerdijk

Amsterdam, 10 juli 2001.

Aan het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel Zeeburg,

Geacht bestuur,

Ten aanzien van aanvraag voor een bouwvergunning voor een multifunctioneel gebouw aan de Van Lohuizenlaan delen wij u hierbij onze zienswijze mede:
Wij zijn van mening dat de gevraagde bouwvergunning voor dit gebouw momenteel niet verleend kan worden, of slechts in gewijzigde vorm. Wij komen tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen:

1. Bouwhoogte:
Het multifunctionele gebouw wordt gerealiseerd in 5 bouwlagen van 3.20 m ieder en een dakopbouw aan de achterzijde, eveneens van 3.20 m. Dat brengt de totale hoogte op 19.20 meter.

In het bestemmingsplan "Cruquius Industriegebied" is voor het perceel bedrijven B3 ("Flevohuis") een maximale bouwhoogte van 15 meter vastgelegd. Blijkens de toelichting bij dit bestemmingsplan is hiervoor gekozen, omdat bij het stadsdeel de wens leeft "bebouwing in drie of vier lagen te realiseren (-) die een schermfunctie kan vervullen voor met name geluidhinder naar de woongebieden ten westen van de IJburglaan." (nu Th.K. van Lohuizenlaan). De bewoners konden zich destijds vinden in dit uitgangspunt.

In het concept Stedebouwkundig Programma Van Eisen (SPVE) d.d 8 februari 2001 wordt gesproken van "voortschrijdend inzicht": intensief grondgebruik, hogere bouwhoogte waardoor een verruiming van bouwvolume mogelijk is.
Ondergetekenden delen dit voortschrijdend inzicht echter niet. Meer bouwvolume leidt tot meer arbeidsplaatsen, derhalve tot intensivering van het verkeer en toename van de parkeerdruk in het "Cruquius Industriegebied" en de aangrenzende woongebieden Zeeburgerkade en Architectenbuurt.

Bovendien zijn zij van mening dat de vrijstellingsbepaling in artikel 5 lid 6 van het bestemmingsplan hier wel erg ruimhartig wordt toegepast door op grond hiervan een vijfde verdieping mogelijk te maken en vervolgens ook een dakopbouw te realiseren.
Daarnaast is het bouwplan in strijd met artikel 5 lid 4 dat bepaalt dat aan de bestemmingsgrenzen "verkeersareaal" en "vaarwater" de maximale bouwhoogte 10 meter kan bedragen.

In het concept-SPVE wordt op bladzijde 3 gesteld dat het bestemmingsplan Cruquius Industriegebied "de jurisdictie geeft voor de bouwplannen". Derhalve maken wij bezwaar tegen de vijfde bouwlaag en de maximale hoogte van 19.20. Wij achten deze uit stedebouwkundig opzicht niet aanvaardbaar en bovendien in strijd met de oorspronkelijke uitgangspunten voor Bedrijven B3, waarover in het verleden consensus bestond.

2. Parkeren
In het "multifunctionele gebouw" wordt een parkeerkelder gerealiseerd met 20 plaatsen. Dit conform de bepaling in artikel 5 lid 3 van het bestemmingsplan dat per 125 m2 bruto gebouwd vloeroppervlak één parkeerplaats moet worden gerealiseerd.
Volgens de bouwaanvraag bedraagt het te bouwen bruto-vloeroppervlak 3455 m2. Volgens de parkeernorm zou dit moeten resulteren in 28 parkeerplaatsen.

Blijkens een toelichting in de uitwerking randvoorwaarden multifunctioneel gebouw, onder punt 9 van het concept-SPVE, zal "het aantal vierkante meters bedrijfsvloeroppervlak, afgeleid van het programma op de begane grond en de eerste verdieping, maximaal ongeveer 2600 m2 bedragen, er zullen dus minimaal 20 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd."

Wij brengen u in herinnering dat bij uitspraak van de Raad van State d.d. 5 maart 1999, aan de vrijstellingsbepaling onder artikel 12 lid f goedkeuring is onthouden. Op bladzijde 10 onder 2.11 van het vonnis overweegt de rechter namelijk het volgende:

"Gelet op de doelstelling van deze vrijstellingsbepaling kon in het bestreden besluit hieraan niet in redelijkheid goedkeuring worden verleend, nu met deze bepaling onvoldoende is verzekerd dat bij de verlening van deze vrijstelling betrokken belangen, waaronder het belang dat is gediend met een toereikend aantal parkeerplaatsen in het plangebied, voldoende worden beschermd."

Dat via een achterdeur deze vrijstellingsbepaling alsnog wordt "toegepast" achten wij in strijd met het oordeel van de Raad van State. Het bouwplan dient derhalve te worden verworpen, dan wel aangepast. Aanpassing zou kunnen door het vergroten van de parkeerkelder, danwel door vermindering van het bruto bedrijfsvloeroppervlak, bijvoorbeeld door het verlagen van de bouwhoogte, waarmee tevens ons onder punt 1 genoemde bezwaar is weggenomen.

Hieraan willen wij toevoegen dat op tekeningen van de herinrichting van het maaiveld rond de Van Lohuizenlaan aan de zijde van de woningen sprake is van een verdubbeling van het aantal parkeerplaatsen. Aangezien hiertoe momenteel geen noodzaak bestaat kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het uw streven is een verwacht tekort aan parkeerplaatsen binnen het industriegebied af te wentelen op de aangrenzende woonwijk. Wij protesteren hier met klem tegen, vooral ook omdat genoemde herinrichting aanzienlijke consequenties zal hebben voor de bestaande groenvoorziening.

3. Onttrekking bedrijfsruimte aan het Industriegebied
De Amsterdamse Industrie Vereniging stelde op 7 februari 1997 bij de Raad van State beroep in tegen de bestemming bedrijven B3, voor zover deze voorziet in de vestiging van horeca, recreatieve- en sociaal-culturele voorzieningen, met name vanwege de verwachte verkeersaantrekkende werking en de mogelijkheid dat als gevolg van de "ruimere bestemming" bedrijfsgronden worden onttrokken aan het bedrijventerrein zelf.

In haar advies aan de bestuursrechter van de Raad van State schrijft mevrouw ir. M.L.A. Huizer op 14 juli 1998 (StAB/32874):

"Met de AIV vind ik echter de keus om ter plaatse ook de vestiging van horeca en recreatieve en sociaal-culturele voorzieningen mogelijk te maken weinig gelukkig. Ik kan mij voorstellen dat bij het stadsdeel de wens leeft op deze locatie, bij de ingang van het industrieterrein, bebouwing te realiseren die "een schermfunctie kan vervullen voor met name geluidhinder naar de woongebieden ten westen van de IJburglaan'. Verder vind ik ook wat te zeggen voor het idee om de mogelijkheid te creëeren een aantal (aan bedrijven) dienstverlenende functies (zoals de in de toelichting genoemde broodjeszaak, copieerwinkel of technisch adviesbureau) onder te brengen op één locatie. In die situatie hoeft naar mijn oordeel ook niet gevreesd te worden voor een onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking.
De redactie van de doeleindomschrijving bij de bestemming bedrijven 3 (B3) is echter naar mijn mening zodanig gekozen dat deze bestemming veel verder zou kunnen strekken dan blijkens de plantoelichting wordt beoogd (mede omdat de begrippen horeca en sociaalculturele voorzieningen in artikel 1 van de planvoorschriften niet nader zijn omschreven).
Daar komt nog bij dat het plan (eveneens mede door het ontbreken van adequate begripsomschrijvingen) de mogelijkheid biedt hindergevoelige functies te leggen naast bedrijven die tenminste enige hinder kunnen veroorzaken. Ik acht dat minder juist."

De bestuursrechter verwierp in zijn uitspraak van 5 maart 1999 het beroep van de AIV maar concludeerde onder punt 2.8 van het vonnis:

"Blijkens de plantoelichting is ondermeer voor deze ruimere bestemming gekozen in verband met de dienstverlenende functie die een aantal van dit soort voorzieningen kan hebben voor de bedrijven of werknemers in het eigenlijke industriegebied."

In het "multi-functionele gebouw" bent u voornemens op de begane grond een kinderdagverblijf te vestigen. Op de eerste etage zou een ruimte komen voor de Onspanningvereniging "Flevo". De overige 3 etage's worden ingericht als kantoorruimte. In ambtelijke kringen circuleren naar verluidt plannen deze kantoorruimte te bestemmen voor huisvesting van de Stichting Welzijn Zeeburg. Daarnaast constateren wij op grond van uitlatingen van stadsdeelvoorzitter Tjeerd Herrema en mededelingen tijdens de informatieavond dd 3 april 2001, dat u overweegt op het belendende perceel een ZMOK-school te vestigen.

Daarmee zou de invulling van Plandeel Bedrijven B3 op 100 % sociaal-cultureel uitkomen. Wij achten dit in strijd met de hierboven aangehaalde strekking van het oordeel van de Raad van State. Wij zijn het in dit geval eens met het bezwaar van de Amsterdamse Industrie Vereniging dat hiermee bedrijfsgronden aan het Industriegebied worden ontrokken, nu niet aannemelijk is dat genoemde vestigingen "een dienstverlenende functie hebben (-) voor de bedrijven en werknemers in het eigenlijke industriegebied," zoals de Raad van State in 1999 nog veronderstelde.

Bovendien moeten wij constateren dat de door de adviseur van de Raad van State, mevrouw ir.M.L.A. Huizer, uitgesproken vrees, dat de ruime begripsomschrijving t.a.v. Bedrijven B3 "de mogelijkheid biedt hindergevoelige functies te leggen naast bedrijven die tenminste enige hinder kunnen veroorzaken", nu helaas realiteit wordt omdat direct aangrenzend aan de door het bestemmingsplan toegestane hinderlijkheidscategorie IV, een kinderdagverblijf is geprojecteerd en hier wellicht ook een ZMOK-school zal worden gevestigd. Wij vinden deze ontwikkeling, vooral ook in het belang van de kinderen, ongewenst. Wij wijzen u erop dat de in het bouwplan opgenomen buitenspeelruimte voor de kinderen van het kinderdagverblijf pal naast metaal-constructiebedrijf Vecht Metaal BV is gelegen en bovendien op minder dan vijftig meter afstand is gesitueerd van oudijzerhandel Kapteijn, een bedrijf dat zelfs tot in de woningen aan de Van Lohuizenlaan ernstige geluidhinder veroorzaakt.

4. Procedure:
Blijkens mededelingen tijdens de informatieavond dd 3 april, waarop overigens slechts één bewoner van Architectenbuurt en Zeeburgerkade aanwezig was, zal voor het realiseren van het bouwplan een zelfstandige project procedure (ZPP) worden opgestart. In deze "verkorte ruimtelijke ordeningsprocedure" zou "inspraak en overleg" moeten plaats vinden.
Blijkens verklaringen van een aantal bewoners van de Architectenbuurt en Zeeburgerkade is hierbij nogal iets mis gegaan. Doorgaans goed geinformeerde bewoners verklaren niet op de hoogte te zijn geweest van de genoemde informatieavond en de daaropvolgende inspraakavond van 9 mei 2001.
Bovendien konden zij uit de "Uitnodiging inspraakavond over stedebouwkundig programma van eisen Cruquius Industriegebied bij de Th.K. van Lohuizenlaan" niet direct opmaken dat ook de inspraak over het multifunctionele gebouw zou plaatsvinden.
Tijdens de inspraakavond van 9 mei jl is volop kritiek geuit op het beleid van het stadsdeel en op de in het concept-SPVE geformuleerde uitgangspunten. Onduidelijk is echter in hoeverre deze kritiek is doorgedrongen tot de bestuurlijk laag van stadsdeel Zeeburg, en in welk opzicht rekening is gehouden met de bedenkingen, omdat een verslag van deze bijeenkomst nog steeds niet beschikbaar is. Wij achten dit bedenkelijk, nu een bouwplan, vooruitlopend op dit concept-SPVE, reeds ter visie ligt.
In een brief dd 22 juni 2001 kondigde het begeleidend projectbreau "sab project en proces" een op de inspraakavond volgende "informatie- en discussiebijeenkomst" aan voor de derde juli 2001. In de brief werd de suggestie gewekt dat ook de aanwezigen op de inspraakavond uitgenodigd waren. Dit bleek niet het geval zodat slechts één bewoner uit de Architectenbuurt acte de presence gaf. Hierdoor werd de bijeenkomst afgeblazen en verdaagd naar september 2001. Hierover is op 3 juli 2001 een mondelinge klacht ingediend bij stadsdeelvoorzitter Tjeerd Herrema.

Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat aan de minimale vereisten t.a.v. van "inspraak en overleg" in de ZPP niet is voldaan. Bovendien vragen wij ons af of de ZPP de geëigende procedurevorm is gezien de gewijzigde omstandigheden rond de herziening van het bestemmingsplan.
Het concept-SPVE "Cruquius Industriegebied aan de Th.K. van Lohuizenlaan" is iets totaal anders dan de door de Raad van State opgedragen herziening voor de plandelen Bedrijven B1 en B3 van het oorspronkelijke bestemmingsplan "Cruquius Industriegebied".
Nu de bestemmingsgrens van het plangebied "Th.K. van Lohuizenlaan", zoals het plan op blz 3 van het concept-SPVE genoemd wordt, verlegd is naar "de westzijde van de rijweg van de J.M.van der Meylaan, is sprake van een samenvoeging van genoemde plandelen B1 en B3 met een deel van het vigerende bestemmingsplan Abattoir- en Entrepotterrein. Dit maakt dat het concept-SPVE veel verder strekt dan alleen een herziening van het bestemmingsplan voor het industriegebied, nu ook de herinrichting van het maaiveld, dat het grootste deel van het voorgestelde plangebied uitmaakt, volgens dit concept-SPVE als een "geintegreerde ontwerpopgave" beschouwd wordt.
Het is derhalve de vraag of het SPVE niet vooraf gegaan had behoren te worden door een voorbereidingsbesluit, en of een Artikel 19 procedure niet een meer geëigend instrument geweest zou zijn dan de ZPP. Bovendien kwam tijdens de inspraakavond van 9 mei jongstleden het maaiveld niet of nauwelijks aan de orde. Door en namens ondergetekenden is hiertegen geprotesteerd, juist omdat dit maaiveld zo'n prominente plaats in het SPVE zal innemen.

Op informele wijze hebben wij tijdens de afgelaste "discussiebijeenkomst" van 3 juli jl kennis kunnen nemen van een aantal ideeën rond de toekomstige inrichting van dit maaiveld, zoals ondermeer de reeds genoemde verdubbeling van het parkeerareaal, en de herinrichting van de eindhalte van bus 22. Wij betwijfelen of deze ideeën op voldoende draagvlak bij omwonenden kunnen rekenen en stellen andermaal vast dat zij niet aan de orde zijn geweest tijdens de inspraakavond, waarmee ons inziens de legitimiteit aan deze bijeenkomst ontvalt.
Het moet ons van het hart dat gezien alle onduidelijkheden en verstrekkende gevolgen van de door het stadsdeel gewenste ontwikkelingen binnen het plangebied, het juister ware geweest als de vaststelling van het SPVE voorrang had gekregen op het indien van bouwplannen die vooruitlopen op dit SPVE, vooral omdat dit SPVE nog volop ter discussie staat.
Wij achten de huidige gang van zaken onjuist, en geven u in overweging het bouwplan aan te houden tot de besluitvorming rond het SPVE is afgerond.

Hoogachtend,

M.C.H. van Etten
Drs. W.M.C. Perridon
R.S.Meijer
A.C. van Rossem
Drs. C. de Vrij


© 2001 Naar boven Voorpagina Redactie