|
| ||||||
| Zeeburg Nieuws | ||||||
|
| ||||||
|
De economie van de veehouderij in Nederland Zeeburg, 14 april 2001 - Mond- en klauwzeer houdt de Nederlandse veehouderij in een wurggreep. Het waren economische motieven die in 1992 leidden tot het EU-besluit om niet langer te vaccineren tegen MKZ. De maatschappelijke commotie rond het massaal ruimen van dieren maakt duidelijk dat er andere dan strikt economische argumenten van belang zijn voor de toekomst van de veehouderij. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) heeft in opdracht van het Rathenau Instituut en de Stuurgroep Technology Assessment van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) eind vorig jaar/begin dit jaar twintig opinieleiders een vraaggesprek afgenomen over de economie van veehouderij in Nederland. Er is onder andere gesproken met H. Wijffels (SER en Vereniging Natuurmonumenten), J. Kol (Erasmus Universiteit), G. Meester (LNV), J.C. Vogelaar (oud-voorzitter vakgroep melkveehouderij LTO-Nederland), mw. M. Veraart (Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt), W. van den Brink (Nederlandse Vakbond Varkenshouders), mw. W. de Jong (Centraal Bureau Levensmiddelenhandel), H.J. Silvis (Landbouw Economisch Instituut) en Th. Vogelzang (Stichting Natuur en Milieu). Economisch belang van veehouderij Verreweg de meeste sprekers achten de bijdrage van de primaire sector veehouderij aan ´klassieke´ economische doelen als werkgelegenheid, bruto nationaal product en handelsbalans bescheiden. Velen zijn van mening dat de milieukosten van de veehouderij nog te veel buiten beeld blijven. Daardoor is het beeld van de economische betekenis van de veehouderij op dit moment in hun ogen te rooskleurig. Ook de toenemende maatschappelijke aandacht voor dierenwelzijn en voedselveiligheid zijn factoren die de veehouderij economisch onder druk zetten. Is Nederland de meest geschikte plaats voor veehouderij? Nogal wat sprekers benadrukken dat niet automatisch geldt dat de productie van veehouderijproducten het beste daar in de wereld kan plaatsvinden waar de kosten het laagst zijn. De wereldmarkt is in veel opzichten een markt van overschotproducten waarvoor geldt dat je er liever niet té afhankelijk van moet zijn voor de voedselvoorziening. Vooral voor versproducten, al dan niet biologisch of streekeigen, geldt dat die bij voorkeur dichtbij de consument moeten worden geproduceerd. Verder wordt vaak gewezen op de productie van publieke goederen als rust, ruimte en (cultuur)landschap door met name de rundveehouderij. Aan die bijdrage hangt in de ogen van de sprekers dan wel een prijskaartje voor de samenleving. Sommige sprekers onderstrepen de betekenis van de veehouderij voor de recycling van restproducten uit de levensmiddelenindustrie. Het gaat in die zienswijze om een kosteneffectieve vermijding van afval, die er bovendien voor zorgt dat ons dagelijks voedsel goedkoop blijft. Tenslotte wijzen mensen er op dat stoppen met veehouderij kapitaalverlies betekent. Het stoppen vanwege milieu- en dierenwelzijnsproblemen zou inconsequent zijn, omdat Nederland veehouderijproducten invoert uit landen waar milieu en welzijn minder aandacht krijgen. Onzekerheid over de toekomst Bijna alle sprekers verwachten de komende jaren een sterk teruglopend aantal veehouders en een minder sterk teruglopende veestapel. Over de mate van krimp verschillen zij nogal (van 30% tot 60% in het aantal veehouders). Rundveehouderij zal er over 20 jaar zeker nog zijn, zo is de overtuiging. Deze sector heeft geen probleem van maatschappelijke legitimatie. Varkens en kippen zullen er veel minder zijn, verwachtingen lopen uiteen van 30 tot 60% minder dieren. Enkelen waarschuwen voor afnemende welvaart op het platteland als gevolg van een teruglopende veehouderij. De schaalvergroting zal doorgaan. Verdergaande automatisering (melkrobot, loonwerk van buiten) zet door, zo is de verwachting van veel sprekers. Maar ten aanzien van een houderijvorm als varkensflats lopen de meningen sterk uiteen. De een ziet het als een logisch vervolg op de industrialiseringstendens, de ander als een ontwikkeling die door burgers en consumenten zal worden tegengehouden. Daarnaast verwachten de meeste sprekers dat een vorm van verbrede veehouderij zich verder zal ontwikkelen (kleinschaliger, ambachtelijker), vooral in die delen van het land waar de fysieke omstandigheden verdere schaalvergroting en kostenverlaging in de weg staan. De veehouders die dit pad bewandelen zullen het moeten hebben van waardevermeerdering en neveninkomsten. Het Rathenau Instituut en het Centrum voor Landbouw en Milieu concluderen dat de economische toekomst van de veehouderij zeer onzeker is. Die toekomst lijkt in belangrijke mate af te hangen van afwegingen rond de doorberekening van milieukosten, kosten rond voedselveiligheid en subsidies voor agrarisch natuurbeheer. Kennelijk valt er voor de politiek iets te kiezen. Meer informatie vindt u op de website van het Rathenau instituut |
|
||||
|
|
||||||
| © 2001 | Naar boven Voorpagina | info@zeeburgnieuws.nl | ||||