Zeeburg Nieuws

Voorpagina
Integratie


Mellouki Cadat


De hiernaast opgenomen voordracht van het Zeeburgse GroenLinks raadslid Mellouki Cadat is donderdag 26 juni uitgesproken tijdens een debat in De Balie.
Cadat is werkzaam bij het NIZW
Meer over het project De Multiculturele Buurt.


Casus 't Karrewiel:

Buurthuis Karrewiel bezet

Marokkaanse stichting verhuist naar Ankeroog

Jongeren willen activiteitencentrum in gekraakt Ankeroog

Reageren op dit artikel?

Het Sociaal Debat: De 'multiculti' uitdaging

door Mellouki Cadat

(Zeeburg, 27 juni 2002) "Multicultureel, maar ieder claimt eigen buurthuis" luidt op 12 december 2001 de krantenkop van een artikel van Theo Besteman, journalist bij de Amsterdamse Stadsblad en fijne kenner van het stadsdeel Zeeburg. In dit artikel schetst hij levendig de zoektocht van professionals van het lokaal Sociaal-Cultureel Werk naar erkenning van de etnisch-culturele diversiteit van de buurt met behoud van een gezamenschappelijke Zeeburgse identiteit. En wie duikt in de digitale archieven 2000 van www.zeeburgnieuws.nl, de website van de Zeeburgse kroniekschrijver Martin van Etten, heeft gauw, van het lokale buurthuis Karrewiel in de Indische Buurt, een chronique scandaleuse samengesteld waarin titels boekdelen spreken:
'Emotionele avond in Karrewiel over grieven Marokkaanse bewoners'; 'Heftige discussie over capaciteit Karrewiel'; 'Obstructie van activiteiten'; 'Marokkanen voelen zich tekoort gedaan'; en uiteindelijk: 'Buurthuis Karrewiel bezet'.
Onze eigen veertiendaagse opiniemagazine voor de sector Zorg+Welzijn signaleert de afwikkeling van de kwestie onder de titel 'Marokkaanse mannen krijgen na bezetting buurthuis een eigen onderkomen´.

Wat is er gebeurd in 't Karrewiel? Twee jaar geleden is er een conflict los gebarsten tussen het personeel en de grootste gebruikersgroep, de Marokkanen. Er ontstond een onwerkbare situatie. Alles begint in 1997 met de komst van een Marokkaanse werkgroep binnen het buurthuis. In 2000 is de groep Marokkaanse gebruikers gegroeid tot circa 150 deelnemers uit de eerste generatie. Wegens ontevredenheid met de programmering, het accommodatiebeleid en zaken die te maken hebben met het beheer ontrolt zich een conflict en gaan de Marokkanen in toenemende mate de gebruikte procedures verstoren en de methodieken bekritiseren. De nieuwe binnenkomers zijn opvallend mondig . Zij kiezen voor een strategie van confrontatie met en ondermijning van de bestaande cultuur en verhoudingen. Uiteindelijk bezet de groep het Karrewiel in oktober 2000. Na bemiddeling van het Amsterdams Centrum Buitenlanders wordt het op een akkoord gegooid. De Marokkaanse werkgroep mag gebruik maken van een alternatieve ruimte die door de Stichting Welzijn Zeeburg ter beschikking wordt gesteld.

't Karrewiel in Zeeburg
Het verhaal van het Karrewiel in de Indische Buurt is het verhaal van interacties tussen allochtone en autochtone individuen en groepen in een 'tobbuurt' om de uitdrukking van Geert Mak in 'De engel van Amsterdam' te gebruiken. Een buurt met honderd nationaliteiten en een veelvoud aan culturen, 65% migranten. Een buurt waar sociale cohesie veel te wensen overlaat. Een buurt met een groot problematiek op sociaal-economisch gebied, lage inkomens, hoog werkloosheid, veel uitval in het onderwijs, gebrekkige voorzieningenniveau. De leefbaarheid daalt daar evenredig met de toename van het gevoel van onveiligheid. Een buurt is het dat aangeduid wordt door professionals en media met termen als 'achterstandswijk', 'doelstelling-2 wijk'; 'aandachtswijk'. Een buurt waaraan Vitale Stad , de Vakblad voor stedelijke vernieuwing en leefbaarheid van Tineke van den Klinkenberg - aandacht besteed in november 2001 onder de titel: 'De Indische buurt ontvlucht'. Maar door wie onvlucht? In eerste instantie door de blanke middenklasse . Hier zou er sprake zijn van een witte vlucht.

Buurthuis 't Karrewiel in Zeeburg illustreert de 'roaring' (gedruis, geraas, gedender) en de 'bubbling' (gesputter, gespetter) van de Melting Pot dat een sociaal-cultureel centrum vormt in een 'multiculti' wijk en de worsteling van het sociaal-cultureel werk daarmee. Buurtcentrum 't Karrewiel is een openbare voorziening. Het biedt sociaal-agogische dienstverlening aan individuen, groepen en organisaties en is gericht op hun cultureel en maatschappelijk functioneren in Zeeburg.

In het Karrewiel blijkt dat, ondanks alle goede bedoelingen, intercultureel werken in de wijk gekenmerkt wordt door een verscherping van culturele tegenstellingen. De bestaande ordening, dat wil concreet zeggen de verdeling van de (schaarse) ruimte en de opzet van het rooster van het Karrewiel wordt bekritiseerd tot bezetting toe. Opvallend is wel dat de Marokkaanse werkgroep blijft echter wel onderdeel uitmaken van het sociaal-cultureel werk in Zeeburg, ook nadat zij door de gebruikte drukmiddelen een eigen ruimte heeft weten te verwerven.

Het stadsdeel kwalificeerde destijds de 'gedwongen' toekenning van een eigen ruimte voor Marokkaanse gebruikers als uitkomst van het conflict als "een nederlaag voor de 'multiculti' samenleving, waarin een algemeen toegankelijk buurthuis door alle bewoners bezocht zou moeten worden, met de mogelijkheid te kunnen kiezen uit een in harmonie tot stand gekomen en uitgebalanceerd activiteitenaanbod".
Het is echter maar de vraag of we hier dat "multiculturele" drama waarnemen. De strijd om ruimte en normen die in en rond 't Karrewiel is gevoerd laat zien dat uiteindelijk een toenadering op nieuwe gronden tussen de twee partijen (het sociaal cultureel werk en de Marokkaanse werkgroep) is ontstaan. De gebeurtenissen vormen mede de aanleiding van een herziening van het stadsdeelbeleid omtrent ruimteverdeling en welzijnsfuncties op basis van de resultaten van een open dialoog met de betrokkenen . De Marokkanen voerden een oppositie binnen het systeem en niet tegen het systeem. Zij zijn een deel gebleven van het sociaal-cultureel werk in Zeeburg en daarmee is de legitimiteit van het sociaal-cultureel werk in Zeeburg versterkt als schakel in die 'multiculti' samenleving. Het heeft immers bewezen om -met bostingen schokingen- uitdagende nieuwe binnenkomers te accommoderen.

Uit de casus blijkt dat het voor het sociaal-cultureel werk geen eenvoudige opgave is om te gaan met nieuwkomers die andere waarden en normen hanteren, eigen ideeën hebben over de kwaliteit en inhoud van de activiteiten en daarbij ook nog eens assertief zijn. Uit de missie van het sociaal-cultureel werk blijkt dat zij direct en expliciet gericht zijn op integratie van allochtone groepen in de Zeeburgse samenleving. In het landelijk NIZW-project Heel de Buurt bleek op een aantal lokaties al eerder dat veel groepen migranten "integratie" lang niet altijd op hun verlanglijstje hebben staan als zij aansluiting zoeken bij het sociaal-cultureel werk of onderkomen zoeken in een buurthuis of wijkcentrum. Daar kan het wel alle schijn van hebben, omdat de fysieke afstand tussen verschillende groepen in een locatie zeer gering is. De sociale afstand, daarentegen, kan onverminderd groot zijn.

Buurten worden steeds heterogener van samenstelling, zeker in de grote(re) steden. Dit trekt een zware wissel op de veerkracht van de sociale infrastructuur. Er wordt veel verwacht van inspanningen die voorzieningen in deze sfeer (de 'formele infrastructuur') kunnen verrichten om buurten voor verval en verloedering te behoeden. Maar ook van bewoners wordt in toenemende mate verwacht dat zij zelf (een deel van de) verantwoordelijkheid voor de leefbaarheid in hun buurt nemen.

In onze bijdrage 'Over kloven en overbruggen. Sociaal-Cultureel werk, accommodatiebeleid en de 'multiculti' buurt' aan Het Sociaal Debat nr. 7 over de 'multiculti' uitdaging, zetten we, Ard Sprinkhuizen en Jan de Wild en ikzelf, de schijnwerper op het sociaal-cultureel werk. Het is een werksoort, die zich altijd heeft bewogen in het schemergebied tussen de formele en informele sociale infrastructuur, daartussen probeert schakels aan te brengen. Het sociaal-cultureel werk vertrok en vertrekt daarbij altijd van sociaal-emancipatoire doelstellingen. Sociaal-culturele vorming, inburgering, samenwerken aan een betere buurt: het zijn activiteiten waarin bewoners direct of indirect worden aangespoord om - samen met medebewoners (met verschillende of eenzelfde (etnische) achtergrond), de voorzieningen in hun buurt en de lokale overheid - weer een stijgende lijn proberen te pakken: op het gebied van veiligheid, leefbaarheid, onderlinge communicatie, het sociale weefsel in de buurt, of meer direct in het persoonlijke leven. Ook voor het sociaal-cultureel werk gaat dit met vallen en opstaan. Het krijgt immers ook te maken met al die verschillende groepen met hun grote verscheidenheid aan wensen en problemen: vluchtelingen, asielzoekers, illegalen, tientallen verschillende nationaliteiten, waaronder de Nederlandse, een veelvoud aan etnische culturen.

Het welzijnswerk heeft, naast de bemoeienis met de grote verscheidenheid aan allochtone groeperingen, altijd oog moeten hebben voor de diversiteit in de samenleving. Er is in de voorzieningenstructuur een traditioneel gegroeid en haast sectoraal onderscheid tussen leeftijdssegmenten. Er is een omvangrijk stelsel van voorzieningen dat zich specifiek richt op ouderen, en datzelfde geldt voor jeugd en jongeren. Bekend zijn verder natuurlijk de verhalen in gemeenten op buurtniveau waar cultureel-homogene groepen autochtone bewoners voorzieningen (buurthuizen) monopoliseren en het aanbod een gezicht geven dat niet breed in de buurt wordt gedragen.

Vraagstukken die te maken hebben met de omgang tussen verschillende groepen met uiteenlopende culturen (allochtoon en autochtoon) en de diversiteit in levensstijlen (ingegeven door sexe, leeftijd, sociaal, cultureel en economisch kapitaal) mogen het sociaal-cultureel werk dus niet vreemd voorkomen. Zij zou de uitgelezen werksoort kunnen en moeten zijn om de uitdagingen - die de multiculturele, de "gediversificeerde" samenleving biedt - te lijf te gaan.

Dat blijkt dus nog niet zo simpel. Ten gevolge van allerlei vormen van migratiestromen (asielzoekers, gezinsherenigers) en selectieprocessen op de woningmarkt kennen veel wijken, vooral in de grotere steden, maar ook daarbuiten een waar "patchwork" aan allochtone én autochtone culturen. In toenemende mate krijgen deze wijken het karakter van een arena, waar 'hulpeloze gladiatoren' - om de mooie uitdrukking van Herman Vuijsje in 'Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig' te gebruiken - waar dus hulpeloze gladiatoren (dwz. de verschillende achterstandsgroepen) op zijn best elkaar weten te ontkennen, maar waar veel onderhuidse spanningen loeren en wederzijds onbegrip broeit. Een strategie waar onderlinge ontmoeting centraal staat kan ervoor zorgen dat er weer natuurlijke sociale verbanden ontstaan, kan er voor zorgen dat ook onderlinge overeenkomsten in plaats van louter de verschillen worden geaccentueerd en kan zorgen voor een voedingsbodem waarin de gedeelde waarden en normen kunnen wortelen. Het zijn juist deze zaken die tot de kerncompetenties van het sociaal-cultureel werk behoren. En het zijn de buurthuizen die, als het goed gaat, de nodige ruimte bieden aan verschillende groepen buurtbewoners om elkaar ook daadwerkelijk te ontmoeten.

Het kapitaal van een kleurrijke buurt
Deze sociale afstand tussen allochtone groeperingen en het sociaal-cultureel werk kan goed worden geanalyseerd met behulp van het begrippenkader dat Bourdieu introduceerde . Het veld van het sociaal-cultureel werk kan gezien worden als een bijzonder spel met eigen regels en een eigen inzet van 'goederen' ofwel hulpmiddelen: economisch (met name geld), cultureel (eigen volkscultuur en diploma's) en sociaal kapitaal (relaties, sociale en politieke netwerken). Vooral cultureel en relationeel kapitaal speelt een rol rond een buurtcentrum. En in het spel dat wordt gespeeld is aanvankelijk het kapitaal van het sociaal-cultureel werk van veel meer waarde: cultureel, want het zijn gediplomeerde professionals, die de taal kennen en de normen en waarden van de Nederlandse samenleving volledig hebben geďnternaliseerd; economisch, want zij hebben de beschikking en controle over het geld; en sociaal, want zij hebben direct toegang tot de beleidsbepalende netwerken. Het bezit van dit kapitaal leidt er ook toe dat zij meer affiniteit hebben met bezoekers die kwalitatief over eenzelfde hoeveelheid cultureel kapitaal beschikken. Dat geldt mutatis mutandis ook voor verschillen binnen en tussen de diverse allochtone groeperingen. Zo ervoeren de Marokkanen het aanstellen van Turken in het buurthuis als voorkeursbeleid.
In de praktijk zijn de kapitaalsoorten nauw met elkaar verbonden. En zo is het aanstellen van Marokkaans personeel via een lobby van Marokkaanse organisaties te zien als het omzetten van sociaalkapitaal in economisch kapitaal (i.c. de financiering van een sociaal-cultureel werker met een Marokkaanse achtergrond) met als gevolg een verdere interculturalisatie van de welzijnsinstelling (dus het omzetten van economisch kapitaal in cultureel kapitaal).

De verwerving van kapitaal en de omgang tussen groeperingen met verschillend (botsende) kapitaal gaat gepaard met onderhandelingen en conflicten waarin de factor macht een belangrijke rol speelt. Onderhuids speelt vaak mee, dat de bovenliggende partij (vaak het sociaal cultureel werk) de nieuwkomer in de "habitus" van het buurthuis tracht te trekken, terwijl die niet spoort met het kapitaalbezit van die nieuwkomer. Hier vindt plaats een proces dat door Bourdieu als 'legitimatie van het gezag' wordt genoemd, d.w.z. de omzetting van het kapitaal, sociaal, cultureel en economisch van de bovenliggende partij in een 'symbolisch kapitaal' bestaand uit een machtsverhouding: het spreekt vanzelf dat het buurthuis de 'eigendom' van autochtonen is want zij waren er al, want het wordt gerund door autochtone professionals, want oorspronkelijke beroepskrachten en klanten hebben gemeenschappelijk dat zij mensen zijn bij wie 'Neerlands bloed door d'aadren vloeit'.

Het is dan ook vanzelfsprekend dat op het moment dat buurthuizen bereikt worden door allochtonen, de sfeer, het programmatisch aanbod, de inrichting en de roostering gebaseerd zijn op Nederlandse waarden en normen. En dat de nieuwe binnenkomers worden gevraagd:
a) om zich neer te leggen bij het feit dat er wordt in hun behoeften voorzien vanuoit autochtone waarden en normen.
b) om een deel van hun wensen, gebaseerd op eigen waarden en normen te ontkennen. Dat kan dan gaan om zeer basale en schijnbaar banale zaken. Zo vertaalt het kapitaal van de professionals en de autochtone bezoekers van een buurthuis zich vaak in de fysieke inrichting: bij de entree is een grote zaal, de "huiskamer" van de buurt, met een laagdrempelige functie. Bewoners, mannen en vrouwen, zitten er bij elkaar. Er wordt gerookt, alcoholische versnaperingen genuttigd. De omgangsvormen zijn vertrouwd en amicaal. Deze fysieke vertaling van de "habitus" is voor de meeste autochtone Nederlanders waarschijnlijk inderdaad laagdrempelig. Veel allochtone Nederlanders zullen daar toch wat anders over denken. Dit stelt de vraag van de toegankelijkheid van sociaal-culturele voorzieningen.

Overbruggen
In deze inleiding heb ik een poging gedaan en beeld te schetsen van het spanningsveld waarin het sociaal-cultureel werk opereert in de 'multiculti' buurt: hoe accommodeer je ontmoeting en vrijetijdsbesteding; hoe haal je de spanning uit de buurt en breng je de ontspanning terug; hoe ga je om met de behoefte aan en het belang van versterking van de eigen etnisch-culturele identiteit en hoe versterk je daarmee een 'community of communities', d.w.z. een gemeenschappelijke wij/wijk-identiteit en het sociaal weefsel van buurten.

Het spanningsveld wordt deels gevoed door het sociaal-cultureel werk zelf. Het opereert nu eenmaal vanuit een sociaal-pedagogische opvatting, wil de sociale samenhang in de buurt versterken en botst daarmee op de vraag van de gesegmenteerde buurtsamenleving. Te vaak is men daarbij te weinig gevoelig voor de diversiteit in de buurt en te reactief. De beroepsgroep kan zich, ook gegeven haar vaardigheden, haar kennis en kunde, veel meer pro-actief opstellen. Als zij haar kennis over de buurt en haar bewoners structureel aanwendt om het eigen functioneren in de 'multiculti' buurt te versterken en haar signaleringsfunctie over de problemen en kansen die daar liggen voor het beleid in de schijnwerpers te plaatsen, dan zijn er werelden te winnen.

Het spanningsveld wordt ook gevoed door de bewonersgroepen zelf. Ook zij zullen zich meer bewust moeten worden van het feit dat zij de brug over zullen moeten naar andere buurtbewoners, naar andere groepen, om de buurt leefbaar te houden. Niets is zo ongunstig voor de leefbaarheid als bewonersgroepen die met de rug naar elkaar toeleven. Zeker als dit langs etnisch-culturele scheidslijnen gebeurt.
De overheid, het rijk en de gemeenten, hebben dan ook terecht de mond vol over het belang van de sociale infrastructuur , zowel formeel als informeel, om het sociaal diverse weefsel in de buurten van de steden te versterken. Ook de overheid vergroot echter het spanningsveld, door maar mondjesmaat te investeren in juist die frontlijnwerkers die de kloof tussen de formele en informele sociale infrastructuur kunnen overbruggen, die vorming, emancipatie, informeel leren, inburgeren in de vingers moeten hebben. Het sociaal-cultureel werk kan deze brug slaan, samen met alle bewonersgroepen, samen met haar partners (de politie, de corporatie, de zelforganisaties, de sleutelpersonen uit de etnische groepen). Maar zeker niet zonder het lokaal bestuur. Een project hier en een experiment daar volstaat niet meer. De 'multiculti' samenleving vraagt om permanent en intensief onderhoud bij het bouwen van brede en duurzame bruggen.

Ik wil nog zeggen dat dit artikel berust mede op de resultaten van het NIZW-JWF project De multiculturele buurt dat bouwstenen biedt aan buurthuizen en dienstcentra, die zij kunnen gebruiken bij hun bijdrage aan de multiculturele samenlevingsopbouw. Wilt u meer weten, bezoek dan de website van het project: De Multiculturele Buurt.

Er is mij gevraagd om met een stelling te eindigen. Hier is dus mijn stelling:

Etnisch-culturele spanningen in de multiculti wijk zijn omgekeerd everendig met de interculturele inspanningen van het Sociaal-Cultureel Werk.

Mellouki Cadat


© 2002 Naar boven Integratie Voorpagina Redactie